PISA-rapport: Waarom presteren leerlingen met migratieachtergrond minder goed voor wiskunde en lezen in Vlaanderen?

Hoe groot zijn prestatieverschillen tussen leerlingen met en zonder migratieachtergrond in Vlaanderen? En welke factoren kunnen deze verschillen verklaren? Een verdiepende PISA-studie over prestatieverschillen naargelang migratiestatus in PISA2022 biedt antwoorden op deze vragen.

Verdiepende analyses van de meest recente PISA-resultaten tonen aan dat er bij 15-jarige leerlingen in Vlaanderen nog steeds een prestatiekloof bestaat naargelang migratiestatus. Wat zeggen de cijfers? Ongeveer twee van de vijf leerlingen met een migratieachtergrond in Vlaanderen beschikt volgens de definiëring van PISA niet over de noodzakelijke vaardigheden en attitudes om alledaagse wiskundige- en leesproblemen op te lossen. Onder leerlingen zonder migratieachtergrond haalt iets minder dan één op de vijf leerlingen dit basisniveau voor wiskunde of lezen niet. Prestatieverschillen voor wiskunde en lezen zijn in Vlaanderen bovendien groter dan in de meeste andere landen en regio’s die deelnamen aan PISA2022. Voor wiskunde is zelfs in geen enkel ander deelnemend land de kloof groter dan in Vlaanderen.

Hoe kunnen we die grote prestatieverschillen verklaren? De studie laat zien dat klassieke individuele kenmerken zoals socio-economische status en thuistaal een deel van de verklaring bieden, maar dat ook kenmerken van het Vlaams onderwijssysteem ongelijkheid versterken. Leerlingen met een migratieachtergrond in Vlaanderen hebben vaker een lage socio-economische status en spreken vaker een andere dominante thuistaal dan het Nederlands, wat hun lagere gemiddelde scores kan verklaren. Desalniettemin toont de studie aan dat sociale achtergrond en thuistaal niet de gehele prestatiekloof tussen leerlingen met en zonder een migratieachtergrond verklaren.

PIF5


Wat kan er dan nog spelen? De sociale scheiding tussen richtingen en scholen in het secundair onderwijs biedt bijkomend een mogelijke verklaring voor de grote prestatiekloof volgens migratiestatus in Vlaanderen. De resultaten van de studie tonen verschillen in de onderwijsroutes die autochtone leerlingen en leerlingen met een migratieachtergrond volgen. De figuur hiernaast toont aan dat leerlingen met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in praktijkgerichte onderwijsvormen waarin leerlingen gemiddeld lager scoren voor wiskunde en lezen. Waar 15,6% van de leerlingen zonder migratieachtergrond in het onderzoek op 15-jarige leeftijd les volgde in het beroepssecundair onderwijs, lag dit percentage bij leerlingen niet geboren in België (zogenaamde eerste generatie leerlingen) op bijna 35%. In andere landen met een vroege en sterke differentiatie tussen onderwijsvormen in het secundair onderwijs, zoals Nederland, Duitsland en Oostenrijk, zijn prestatieverschillen volgens migratiestatus eveneens groot. Conclusie: wanneer gezocht wordt naar verklaringen voor sociale ongelijkheid in ons onderwijs, ligt de focus meestal op individuele leerlingenkenmerken zoals sociale achtergrond of thuistaal. Hierbij mogen we niet uit het oog verliezen dat ook de manier waarop we ons onderwijssysteem vormgeven ongelijkheid kan vergroten of verkleinen.

Ten slotte toont de studie aan dat leerlingen met een migratieachtergrond geen homogene groep vormen. Ook binnen deze groep zijn er verschillen in prestatieniveau. Zo scoren leerlingen met een migratieachtergrond die al langer in België verblijven gemiddeld hoger voor zowel wiskunde als lezen. Daarnaast valt de hoge gemiddelde score van leerlingen van Oost-Europese origine op. Wanneer rekening gehouden wordt met verschillen in sociale achtergrond presteren leerlingen van wie de moeder in een Oost-Europees land geboren is gemiddeld op éénzelfde niveau als leerlingen zonder migratieachtergrond. Bovendien stelt de studie vast dat verklaringen voor ongelijkheid niet voor alle leerlingen met een migratieachtergrond gelijk zijn. Een voorbeeld: in de groep leerlingen die zelf in België geboren zijn, maar wiens ouders in het buitenland geboren zijn, scoren leerlingen met een hogere socio-economische status op hetzelfde niveau als leerlingen met een lagere socio-economische status en scoren leerlingen die thuis meestal Nederlands spreken niet veel hoger dan leerlingen die thuis meestal een andere taal spreken. Thuistaal en sociale achtergrond kunnen het prestatienadeel van deze groep leerlingen ten opzichte van leerlingen zonder migratieachtergrond bijgevolg niet verklaren.

De verscheidenheid aan factoren die prestatieverschillen volgens migratiestatus kunnen verklaren toont, in combinatie met de verschillen tussen leerlingen met een migratieachtergrond onderling, de complexiteit van het ongelijkheidsvraagstuk. Het wijst bovendien op de noodzaak van een geïntegreerd en gedifferentieerd beleid. Niet uitsluitend één maatregel is de wonderoplossing om de prestaties van leerlingen met een migratieachtergrond te bevorderen. Factoren op verschillende niveaus, van de individuele leerling tot het onderwijssysteem, spelen een rol en verdienen de aandacht van beleidsmakers.

Meer weten? Lees dan het PISA in Focus-rapport over verschillen naargelang migratiestatus.